In het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO) zijn metingen gedaan bij deelnemers. Geheel volgens de eisen van de Medisch-Ethische Toetsingscommissie zijn individuele resultaten van de deelnemers persoonlijk met hen gedeeld. Hieronder lichten we meer in het algemeen toe hoe de selectie van monsters gedaan is, en hoe de persoonlijke resultaten door de individuele deelnemers te interpreteren zijn.

Omwonenden en controles

Aan het OBO hebben mensen woonachtig in landelijk gebied meegedaan. Het grootste deel van de deelnemers woonde in de buurt van velden met bloembollen. Iedereen die maximaal 250 m van een bollenveld af woont, is in de studie een omwonende. De deelnemers die elders in het landelijk gebied woonden, en tevens verder dan 500 meter van het veld, noemen we in deze studie controledeelnemers. 

Selectie van de monsters

In het OBO zijn meer monsters verzameld dan gemeten. Hieronder willen we uitleggen waarom dat is gedaan.

 Voor goede bepalingen van blootstelling is het van belang zowel benedenwinds (de kant waar de wind naar toe blaast) als bovenwinds (de kant waar de wind niet naar toe blaast) van een bespoten veld te meten en ook op verschillende afstanden van het bespoten veld. Helaas was van te voren niet te voorspellen welke kant de wind op zou staan tijdens een bespuiting en de dagen erna. De metingen werden gestart op de dag dat de bespuiting die we wilden volgen zou plaatsvinden. Gedurende de week zijn de monsters genomen en hebben we de richting en kracht van de wind bijgehouden. Na de meetweek is vervolgens bepaald welke van de huizen   er benedenwinds of juist bovenwinds lagen. Van een selectie van die huizen zijn de omgevingsmonsters meegenomen in de metingen. De monsters die genomen zijn van de deurmat zijn wel voor alle huizen gemeten. Van de huizen van de controledeelnemers zijn overigens alle omgevingsmonsters gemeten.

Bij het selecteren van urinemonsters is gekeken naar de windrichting en ook naar de resultaten van de omgevingsmonsters. Voor de geselecteerde huizen is gekozen om bepalingen te doen op urines van dag 1, 2, 4 en 7 om een goed beeld te hebben van de blootstelling gedurende een week. Per geselecteerd huis zijn de monsters van alle deelnemers onder de 18 jaar en van maximaal 2 volwassenen per huis gemeten. Voor de volwassenen gold dat als er al urines van kinderen in het huis waren geselecteerd, er nog 1 volwassene werd geselecteerd. Er is gekozen om de volwassenen met de meest gerapporteerde uren in/om het huis te selecteren.

De urinemonsters die niet zijn geanalyseerd zullen nog maximaal 15 jaar in de Biobank worden bewaard. De monsters zijn gecodeerd opgeslagen en kunnen alleen door de onderzoekers worden gekoppeld aan andere gegevens, waaronder persoonsgegevens en antwoorden op de vragenlijst. Indien er een nieuwe wetenschappelijke onderzoeksvraag is over blootstelling aan bestrijdingsmiddelen, kunnen de monsters in de Biobank worden geanalyseerd. Dit kan alleen als u hiervoor aan het begin van de studie toestemming heeft gegeven op het toestemmingsformulier. 

Interpretatie van de resultaten

Individuele resultaten van dit onderzoek zijn moeilijk te interpreteren. Dit komt omdat er voor de meeste type monsters die we hebben gemeten geen referentiewaardes of grenswaardes zijn waar we de resultaten mee kunnen vergelijken. Per monstertype leggen we dit hieronder kort uit.

Buitenlucht

Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is in Nederland verantwoordelijk voor de toelating van bestrijdingsmiddelen. Het Ctgb hanteert voor iedere stof een vaste waarde (bovengrens) in de lucht. Bij de toelating van bestrijdingsmiddelen rekent het Ctgb met deze bovengrens, als een dagelijkse blootstelling over langere tijd. Alle waardes van de buitenluchtmetingen in OBO bleven daaronder.

Stof verzameld van de vloer of uit de deurmat:

Voor dit type monsters zijn geen grenswaardes of referentiewaardes bekend. De resultaten die u heeft ontvangen zijn vergeleken met die van andere deelnemers van de studie. Over het verzamelde stof is nog veel onduidelijk. We weten bijvoorbeeld niet precies hoe het stof in de woning komt en hoe lang het daar blijft. Hopelijk zal verder onderzoek hier meer duidelijkheid over geven.

Urine:

Ook voor urine zijn er geen grenswaardes die we kunnen gebruiken. De Acute Reference Dose (ARfD) geldt voor het binnenkrijgen van een bestrijdingsmiddel via voedsel of drinkwater (niet via inademing). Hoeveel hiervan dan in de urine terechtkomt, is echter onduidelijk. In het OBO hebben we ook vrijwilligers-experimenten gedaan. Daarbij hebben vrijwilligers een hoeveelheid bestrijdingsmiddel opgedronken die onder de geaccepteerde dagelijkse dosis ligt. Hun urine is opgevangen en geanalyseerd. Met de resultaten hebben we berekend dat alle urineresultaten van OBO onder de ARfD liggen.

Praktische adviezen voor omwonenden en telers

De Gezondheidsraad gaf in 2014 enkele praktische adviezen voor omwonenden om de bloot­stelling aan bestrijdingsmiddelen via drift en stof te beperken:

  • schoenen uitdoen bij binnenkomst;
  • groenten, kruiden en fruit goed wassen; en
  • tijdens en kort na de bespuiting van een aangrenzend perceel de ramen sluiten en niet in de tuin verblijven.

Een jaar eerder had ook de landbouwsector een aantal aanbevelingen gedaan[1] om de bloot­stelling te beperken, in dit geval gericht op telers en loonwerkers:

  • omwonenden tijdig informeren;
  • spuiten als de wind van de omwonenden af staat.

Uitgangspunt is dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen veilig moet zijn, zonder dat omwonenden extra maatregelen hoeven te nemen om onder de grenswaardes te blijven. De hierboven genoemde adviezen zijn bedoeld om blootstelling desgewenst verder te beperken. De mate waarin dit soort maatregelen bijdragen aan een vermindering van de totale blootstelling is niet onderzocht in het OBO. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu advi­seert daarom de effectiviteit van deze - en mogelijk andere - maatregelen te onderzoeken.


[1] http://www.lto.nl/media/default.aspx/emma/org/10834832/brochure+gewasbe…